Taboe: Familieruzie & Zorg (3)

Voor de kerst schreef ik over dat ik bij mama was en zij nog sliep. Het was half tien en samen met de begeleidster liep ik naar haar kamer. Op het moment dat de deur open ging zat mama rechtop in bed heel hard te huilen. Als een klein kind, helemaal overstuur, alsof ze een nachtmerrie had gehad of bang voor monsters was geweest. Mama vragen wat er was loste niets op, want mama weet dat niet meer. Het idee van het monster kan ik het beste plaatsen, dat monster is meneer Alzheimer namelijk.

Een paar weken later zat ik met mijn stiefzoon te praten. Hij had gevraagd naar mama en vroeg wanneer we weer eens met zijn drieën naar haar toe zouden gaan. Ik had gezegd dat ik niet meer wilde dat zijn vader en hij mee zouden gaan. Verschrikt vroeg hij waarom en ik had het hem uitgelegd. Het is niet zo dat ik me schaam voor mama, absoluut niet! Raar maar waar, mijn geliefde en zijn zoon kennen mama niet anders als met de Alzheimer. Was het toen nog in de beginfase geweest, en hebben ze haar nog regelmatig gezien, ik wil het nu niet meer om mama haar waardigheid hoog te houden. Dat verdient ze. Hij begreep me. Ik vertelde hoe het tegenwoordig met haar gaat en ook van het huilen op bed, dat me dat zo veel pijn had gedaan. Hij had zijn hand op mijn schouder gelegd en zei toen, ‘Goh Dyez, hoe is het nu met jou dan? Ik vind het knap van je hoor, want als dit bij mijn moeder zo zou zijn zou ik depressief zijn.’ Ik zei dat depressief niet het juiste woord was, maar verdrietig ben ik wel. Toch zette die uitspraak zich vast in mij. Op het moment dat ik daarna alleen was heb ik gehuild, ik voelde me verslagen en ontzettend moe.

Na de feestdagen ging ik weer naar mama. Ze was al op en liep in de huiskamer. Ik zag haar zachtjes huilen. Ze keek op en zag mij, heel even keek ze vertwijfeld en ik lachte en spreidde mijn armen. We liepen naar elkaar toe en op dat moment braken de sluizen compleet bij mama open. Ik hield haar stevig vast, gaf haar kusjes en fluisterde dat ze veilig bij me was. De begeleidster kwam aanlopen met een bakje chocoladevla, hier lagen nog 2 pilletjes op. Mama had het niet willen hebben. Ik vroeg of ik het zou proberen, dat was goed. We liepen naar de tafel en ze duwde de lepel weg. Huilend keek ze me aan, maar ze kon niet anders zeggen dan, ‘Waarom?’ Ik gaf aan dat het was om haar hoofd wat rustiger te maken, al had ik geen idee of dat zo was. Ik mag immers niet ingelicht worden, dus ik heb geen idee wat ik mijn moeder voor haar eigen bestwil toediende. Ik vroeg of ze het om mij wilde doen en al huilend zuchtte ze eens diep. Daarna gingen de 2 lepels waar ik beide keren een pil op had meteen naar binnen. Daarna wilde ze niet meer en zei ze huilend, ‘Dit. Stop. Dit.’ Dat kwam binnen als een mokerslag bij me en ik kon mijn tranen niet inhouden. Samen huilden we, onze hoofden tegen elkaar aan. Had het maar gekund, dat wij op dat moment van hersenen konden ruilen voor even. Alleen maar omdat ze dan even had kunnen zeggen wat ze voelt en wat ze echt wil. Al besefte ik wat ze net had bedoeld.

Ze wilde naar haar kamer. Eenmaal daar wilde ze weer terug, om daarna weer naar haar kamer te willen. Ze wilde niet naar de Hema. Zelf wilde ik wel weer naar de huiskamer en een kop koffie pakken. Al vlug wilde mama ook weer naar de huiskamer. We gingen aan de tafel zitten en de begeleidster schonk koffie voor ons in. Heel even was mama gestopt met huilen en lachte ze ook even. Toch, vlak na een lach, huilde ze opeens weer. Ze bleef huilen. We hadden een koek gepakt en die voor haar had ik in stukken gebroken. Ik wilde haar een stuk geven, maar ze duwde mijn hand weg en zei, ‘Weg!’ Een paar keer heb ik het geprobeerd, maar ze wilde het niet en steeds weer moest het ‘Weg!’ Vroeger had ze deze koeken heerlijk gevonden.

Even later brak er toch weer een lach door bij mama door. Dat moment greep ik aan om grappige herinneringen te vertellen. Bewust iets met een lach. Na 3 of 4 verteld te hebben was het voorbij, mama begon weer te huilen. Opeens kwam de uitspraak van mijn stiefzoon bij me op en ik voelde me van binnen in elkaar zakken, ik kon niet meer. Ik heb me verontschuldigd bij de begeleidsters en gezegd dat ik weg zou gaan omdat ik het niet aan kon. Men was het me eens, ik moest ook om mij denken. Ik nam afscheid van een huilende mama en liep richting mijn tante. Onderweg belde ik mijn tante, maar ze was nog niet thuis. Ik belde een vriendin en die zei meteen, ‘Waar ben je nu?’ Ja, bijna bij de bushalte vlakbij mijn tante. Ze kwam meteen en ze liet me even praten en huilen. Mijn frustratie over dat ik niet ingelicht wordt doet gewoon het meest pijn. Mijn vriendin begreep dat. Ze zit zelf ook in de zorg en vertelde dat hun het beleid hebben om zich niet plaatsen in een familieruzie. Zij bellen alleen de eerste contactpersoon en daarna doen ze het in een bevestiging per mail naar de contactpersoon met in de cc de anderen. Ik begrijp niet waarom dat mij niet kan. Ik vertelde dat onlangs een begeleidster had gezegd dat het voor mama fijn zou zijn als mijn zus en ik eens samen kwamen. Mijn vriendin schrok, ‘Pardon? Werd je niet woest? Wat menen ze daar wel niet?’ Ik vertelde dat ik niet daar woest was geworden, want dat was niet goed geweest voor mama. Wel had ik duidelijk gezegd dat dat niet meer zou gebeuren. Daarbij was ik zo netjes gebleven om er verder niets aan toe te voegen.

Na even gesproken te hebben liep ik door naar mijn tante. Ik deed mijn verhaal weer. Mijn tante werd woest toen ze hoorde over het idee van de begeleidster, ‘Ze hebben daar niet eens het fatsoen je in te lichten over JOU moeder. Dan bedoel ik de instelling en je zuster. Dit is uitsluitend en alleen aan hen te danken!’ Door de uitspatting van mijn tante was ik gaan huilen. Ze sloeg haar arm om me heen en zei dat ze niet boos op mij was. Nee dat wist ik wel. Het was gewoon mijn onmacht die eruit kwam. Het bewust afgesneden worden van mijn moeder door mijn jaloerse zuster en haar schoothondje de zorginstelling.

Dat bleek nog niet alles te zijn. Wat mijn tante me vertelde vond ik nog veel erger. De plek waar het gebeurt is klein en het is een “ons kent ons” daar. Ze was een paar dagen ervoor een kennis tegen gekomen op een verjaardag en diegene wilde haar even alleen spreken. Ze waren even samen gaan zitten op een slaapkamer. Diegene werkt daar, maar op een andere afdeling, en die had mijn tante verteld hoe het met haar zus ging. Zo triest, de afgelopen 3 weken loopt ze hele dagen te huilen. Ze is zo op’, het was hartbrekend had diegene aan mijn tante gezegd. Mijn tante had gevraagd of de kinderen van mijn moeder wel langs kwamen. Het was alleen de oudste, wat gek was, ‘Want die woont in Den Haag en die ander om de hoek!’ Mijn tante had gezegd dat de jongste een erg drukke baan had en dan ‘s avonds of in het weekend zou komen. Diegene had het hoofd geschud en gezegd, ‘Nee hoor. Het is algemeen bekend onder de collega’s, die zien ze bijna nooit.’ Mijn tante had verteld dat mijn zus en ik ruzie hebben, mijn zus eerste contactpersoon is en die mij niet inlicht. De zorg doet het ook niet, want dat mag niet.’ ‘Dat is helemaal niet waar, wij lichten alle familieleden in, ook als het slecht gaat. Dan wel persoonlijk. Daar moet die oudste achteraan hoor!’ Mijn tante had gezegd dat de klachtencommissie niets had uitgehaald en dat mij de mond was gesnoerd nadat ik een blog had geschreven over de slechte mondzorg bij mijn moeder. Diegene had aangeboden aan mijn tante om contactpersoon te zijn voor me. Mijn tante had gezegd dat ik dat niet zou willen, want als dat zou uitkomen zou er ontslag volgen, of diegene zou op non-actief worden gezet zoals bij die andere vriendin was gedaan. Diegene was zich wild geschrokken en had alleen gezegd, ‘Dus toch! Dat dacht ik al!’ Verbaasd keek ik mijn tante aan, ‘Moet je nagaan en dit wordt jou verteld over je zus!’ ‘Dat bedoel ik dus maar, en jij als haar kind mag niet ingelicht worden?’ Van verdriet sloeg ik om in woede.

Op weg naar huis leek de hele reis niet 4 uur bij elkaar te duren, maar 4 dagen. ‘s Avonds heb ik nog gebeld naar de begeleiding, mama huilde alweer. Ik vroeg naar hoe het voor haar rustiger kan worden gemaakt, maar daar mag ik niets aan doen. Dat is in handen van mijn zus. Voorlopig denk ik dus maar aan mij en ga ik even niet. Ik bel nog 1x per week en vraag dan of mama nog leeft. Meestal wordt dan vrolijk geantwoord dat het natuurlijk nog zo is. Tot er die ene keer gaat komen en het even stil gaat worden en ze niet zullen weten wat ze moeten zeggen, want zij mogen mij niet inlichten.

Lees ook de eerste twee delen in deze:
Deel 1
Deel 2

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.